De samengestelde ontslaggrond

Gepubliceerd op: 2 juni 2021

Ontslag op staande voet

Voor de werkgever is het ontslag op staande voet dikwijls een onoverkomelijke ingrijpende maatregel jegens de werknemer. Echter, onderschatten werkgevers bij tijd en wijle het belang van een deugdelijke brief voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet ex art. 7:677 BW. Zo blijkt voorstaande uit de uitspraak van de rechtbank Rotterdam d.d. 26 mei 2021. De werknemer heeft binnen de vervaltermijn van twee maanden ex art. 7:686a lid 4 sub a BW een procedure aanhangig gemaakt en verweer gevoerd tegen het ontslag op staande voet. In deze zaak ging het om een samengestelde ontslaggrond. De samengestelde ontslaggrond was als volgt geformuleerd in de ontslagbrief:

 ‘’(..) Hierbij delen wij u mee u met onmiddellijke ingang – en op staande voet – te ontslaan uit uw dienstbetrekking. De dringende reden voor het ontslag op staande voet is diefstal van morfinepleisters en mishandeling van ten minste één bewoonster door haar deze medicatie te onthouden. Hiermee is het dienstverband met ingang van 25 september 2020 ontbonden. (..)’’

De werkgever heeft nagelaten om een en ander niet te ‘’ondervangen’’ door in de ontslagbrief te vermelden dat beide ontslaggronden zowel apart als tezamen gekwalificeerd moeten worden als een dringende reden, op grond waarvan de werkgever de werknemer op staande voet heeft ontslagen. Voorstaande heeft ten gevolge dat alle elementen van de ontslaggronden, na betwisting door werknemer, bewezen moeten worden. Er kan echter ook sprake zijn van een geldig ontslag op staande voet als van de aangevoerde dringende reden slechts een gedeelte in rechte komt vast te staan (Hoge Raad 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6109, NJ 2006/340). De Hoge Raad stelt hieraan echter de volgende cumulatieve voorwaarden:

  1. het vaststaande gedeelte is op zich een dringende reden voor ontslag op staande voet;
  2. de werkgever heeft gesteld en ook aannemelijk is dat hij de werknemer ook uitsluitend om die reden op staande voet zou hebben ontslagen en;
  3. dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van de aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest.

Voor wat betreft de ontslaggrond ‘’mishandeling van ten minste één bewoonster’’ oordeelt de kantonrechter dat deze onvoldoende door de werkgever is onderbouwd, hetgeen betekent dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van mishandeling van de bewoonster.

Een deel van de samengestelde ontslaggrond is derhalve niet in rechte komen vast te staan. Dit leidt ertoe dat aan de hierover genoemde cumulatieve voorwaarden van de Hoge Raad voldaan moet zijn om het ontslag op staande voet desondanks geldig te laten zijn.

De kantonrechter oordeelt dat ook de ontslaggrond ‘’diefstal’’ geen stand houdt. De werkgever heeft niet gesteld, indien diefstal al in rechte zou komen vast te staan, en dat op zich een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet, de werkgever ook uitsluitend om die reden de werknemer op staande voet zou hebben ontslagen. Er is door de werkgever aldus niet voldaan aan onderdeel b van de cumulatieve vereiste. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer niet rechtsgeldig heeft opgezegd in de zin van art. 7:677 BW. Het ontslag op staande voet kan dan ook geen stand houden.

Conclusie

Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat een deugdelijke ontslagbrief zeer belangrijk is. Indien de werkgever enkel in haar ontslagbrief de zin had opgenomen dat beide ontslaggronden zowel apart als tezamen gekwalificeerd moeten worden als een dringende reden, had het oordeel van de kantonrechter anders kunnen luiden.

Indien u de gehele uitspraak wenst te lezen kunt u die vinden met de vindplaats: Rechtbank Rotterdam
31 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2927.


Indien u als werkgever een werknemer op staande voet wenst te ontslaan, of u als werknemer verweer wenst te voeren tegen een ontslag op staande voet, kunt u met ons kantoor contact opnemen.

VQ Advocaten kan u o.a. helpen bij:

Opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte

Opzegging van een huurovereenkomst (artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte) is aan een aantal formaliteiten verbonden. Zo is de opzegtermijn tenminste één jaar en dient de opzegging per exploot of aangetekende brief te worden gedaan. Voor de verhuurder geldt tevens dat de gronden van de opzegging moeten worden vermeld.

Wanbetaling

Een ondernemer kan helaas te maken krijgen met wanbetaling. Een opdrachtgever of afnemer laat een rekening onbetaald. Op een aanmaning wordt niet gereageerd. De wederpartij zoekt duidelijk uitvluchten. U kunt natuurlijk wekelijks bellen of een herinnering sturen, echter indien dat geen effect heeft is nadere actie nodig.

Opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte

Opzegging van een huurovereenkomst (artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte) is aan een aantal formaliteiten verbonden. Zo is de opzegtermijn tenminste één jaar en dient de opzegging per exploot of aangetekende brief te worden gedaan. Voor de verhuurder geldt tevens dat de gronden van de opzegging moeten worden vermeld.

Huurovereenkomst bedrijfsruimte

Bedrijfsruimte betreft de huur voor een ruimte waarin de huurder zijn onderneming drijft. Dit wordt ook vaak aangeduid als winkelruimte. Hieronder vallen een restaurant- of cafébedrijf, een afhaal- of besteldienst of een ambachtsbedrijf. In de verhuurde ruimte dient een voor het publiek toegankelijk lokaal te zijn, voor rechtsreeks levering van roerende zaken of dienstverlening. De bepaling over een dergelijke ruimte is opgenomen in artikel 7:290 BW. Hierdoor wordt vaak gesproken over artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte.

Laat ons u helpen.

Volgt u VQ Advocaten al op social media? 

Contact

Gegevens

De Vriesstraat 16
3261 PC Oud-Beijerland
Postbus 1121
3260 AC Oud-Beijerland
Telefoon: 0186-614477 en 0186-727002 (PL)
KvK: 24316650

BTW: 8098.05170.B01

PrivacyverklaringAlgemene Voorwaarden