Kan iemand verplicht worden om mee te werken aan een DNA-test om biologisch vaderschap vast te stellen?

Gepubliceerd op: 15 maart 2022

11 maart 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak waarbij is verzocht de vermoedelijk biologische vader te veroordelen om mee te werken aan het afnemen van een DNA-test. In dit soort zaken dient altijd een belangenafweging plaats te vinden. Het kind heeft immers het grondrecht om te weten wie zijn biologische vader is. Daar tegenover staat evenwel het recht op respect voor het in zijn privéleven besloten liggende recht van de vermoedelijk biologische vader om de afstamming verborgen te houden en om niet onvrijwillig een DNA-test te moeten ondergaan. Uitgangspunt is dat het belang van het kind om te weten van wie hij afstamt prevaleert. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Dat heeft de Hoge Raad geoordeeld.

In deze zaak heeft een 53-jarige man zijn vermoedelijke biologische vader meermalen verzocht DNA te laten afnemen om te onderzoeken of laatstgenoemde daadwerkelijk zijn biologische vader is. De vermoedelijke biologische vader weigert hieraan medewerking te verlenen.

De rechtbank besliste dat de vermoedelijk biologische vader moet meewerken aan DNA-onderzoek omdat het belang van een kind om te weten van wie het afstamt, zwaarder weegt dan het belang van de vader om dat verborgen te houden.

In hoger beroep is het gerechtshof tot een ander oordeel gekomen. Het hof overweegt dat uitgangspunt is dat het belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is voorrang heeft, maar dat daarop in dit specifieke geval een uitzondering moet worden gemaakt. Voor het hof speelde in deze zaak mee dat het kind al meer dan 40 jaar wist wie zijn biologische vader is en daarover zelf geen twijfel heeft, zodat er geen onduidelijkheid is over zijn ontstaansgeschiedenis. Aan de zijde van de biologische vader speelt een rol dat deze al op leeftijd is (bijna 80 jaar) en dat de huidige situatie bijzonder stressvol voor hem is en een grote druk op hem legt. Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat wegens de grote weerslag die de onderhavige situatie, zowel fysiek als mentaal, op de vermoedelijk biologische vader heeft, zijn belang bij het voorkomen van verdere inmenging in zijn privéleven zwaarder dient te wegen dan het belang van het kind om met volstrekte zekerheid te weten door wie hij is verwekt.

De Hoge Raad oordeelt dat uitgangspunt is dat het recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming voorgaat, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijk biologische vader af te nemen DNA-test. De relatief geringe inbreuk van een DNA-test op de lichamelijke integriteit van de vermoedelijke biologische vader wordt in een zodanig geval gerechtvaardigd door het zwaarwegende belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is. De Hoge Raad wijst erop dat informatie over de eigen afstamming in de eerste plaats van belang is om een eigen identiteit en persoonlijkheid te kunnen vormen. Het feit dat  medewerking aan het verkrijgen van zekerheid over het biologisch vaderschap voor de vermoedelijk biologische vader belastend is en een aantasting van diens welbevinden en gezondheid oplevert, kan slechts onder uitzonderlijke omstandigheden tot een andere uitkomst leiden.

De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar een ander gerechtshof om opnieuw te beoordelen of de vermoedelijke vader moet meewerken aan het verlangde DNA-onderzoek.

Publicatie op rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2022:349

VQ Advocaten kan u o.a. helpen bij:

Opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte

Opzegging van een huurovereenkomst (artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte) is aan een aantal formaliteiten verbonden. Zo is de opzegtermijn tenminste één jaar en dient de opzegging per exploot of aangetekende brief te worden gedaan. Voor de verhuurder geldt tevens dat de gronden van de opzegging moeten worden vermeld.

Wanbetaling

Een ondernemer kan helaas te maken krijgen met wanbetaling. Een opdrachtgever of afnemer laat een rekening onbetaald. Op een aanmaning wordt niet gereageerd. De wederpartij zoekt duidelijk uitvluchten. U kunt natuurlijk wekelijks bellen of een herinnering sturen, echter indien dat geen effect heeft is nadere actie nodig.

Opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte

Opzegging van een huurovereenkomst (artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte) is aan een aantal formaliteiten verbonden. Zo is de opzegtermijn tenminste één jaar en dient de opzegging per exploot of aangetekende brief te worden gedaan. Voor de verhuurder geldt tevens dat de gronden van de opzegging moeten worden vermeld.

Huurovereenkomst bedrijfsruimte

Bedrijfsruimte betreft de huur voor een ruimte waarin de huurder zijn onderneming drijft. Dit wordt ook vaak aangeduid als winkelruimte. Hieronder vallen een restaurant- of cafébedrijf, een afhaal- of besteldienst of een ambachtsbedrijf. In de verhuurde ruimte dient een voor het publiek toegankelijk lokaal te zijn, voor rechtsreeks levering van roerende zaken of dienstverlening. De bepaling over een dergelijke ruimte is opgenomen in artikel 7:290 BW. Hierdoor wordt vaak gesproken over artikel 7:290 BW-bedrijfsruimte.

Laat ons u helpen.

Volgt u VQ Advocaten al op social media? 

Contact

Gegevens

De Vriesstraat 16
3261 PC Oud-Beijerland
Postbus 1121
3260 AC Oud-Beijerland
Telefoon: 0186-614477 en 0186-727002 (PL)
KvK: 24316650

BTW: 8098.05170.B01

PrivacyverklaringAlgemene Voorwaarden